112SimNoodcentralesimulator

Oproepsjablonen

Nieuw sjabloon

Wat de beller aan de telefoon zegt. Een sjabloon kiest een plaats van één van zijn locatiesoorten. Standaardsjablonen komen uit de seed en worden bij een sjablonenupdate opnieuw opgebouwd; wie er één aanpast, krijgt een eigen kopie die blijft staan. Uitschakelen van een standaardsjabloon geldt tot de volgende sjablonenupdate.

Standaardsjabloon aanpassenOpslaan maakt een eigen kopie en schakelt het origineel uit.
Oproeptype:
Beller:
Tekst:
Uren:van tot uurleeg = altijd; mag over middernacht (22 tot 6)
Slachtoffers: tot mogelijk aantal; grote aantallen zijn zeldzamer, vanaf 4 = MCE
Gewicht:1 = even vaak als een gemiddeld sjabloon van dit type
Locatiesoorten:
Velden in de tekst
{waar}de plaats, bv. "de Kerkstraat 12 in Gent" of "de E40 ter hoogte van Aalter"
{adres} {straat} {naam} {gemeente}delen van de plaats
{Persoon} {persoon} {PersoonOud}"Mijn man", "mijn moeder", "Mijn opa"…
{Iemand} {IemandOud} {Kind} {KindVreemd}"Een man", "Een oudere vrouw", "Ons zoontje"…
{Bewoner} {Speler} {Zwangere}"Een bewoonster", "Een speler", "Mijn vrouw"…
{hij} {Hij} {zijn} {hem}voornaamwoorden in hetzelfde geslacht; {V} dwingt vrouwelijk af
{leeftijd} {leeftijdOud} {leeftijdKind} {leeftijdTiener}25–92, 70–95, 2–13, 14–17 jaar
{weken} {maanden}willekeurig aantal
10293 sjablonen
TypeBeller en tekstLocatiesUrenGew.
P009een collega: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een werknemer draagt een glucosesensor die alarm blijft geven en wordt suf. {Hij} zegt zelf dat de gemeten suiker veel te laag is.office, industry7–18 u
werkdagen
0.66Bewerken
P009een collega: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een werknemer gebruikt insuline en zegt dat de suiker aan het zakken is. {Hij} is nu zo slap dat een normaal gesprek niet meer lukt.office, industry7–18 u
werkdagen
0.66Bewerken
P009een collega: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een werknemer heeft diabetes en al een paar dagen een infectie. Vandaag is de suiker sterk verhoogd en {hij} is te zwak om nog zelf te vertrekken.office, industry7–18 u
werkdagen
0.66Bewerken
P009een collega: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een werknemer heeft diabetes en gedraagt zich plots heel anders. {Hij} praat traag, zweet en weet niet meer wanneer {hij} heeft gegeten.office, industry7–18 u
werkdagen
0.66Bewerken
P009een collega: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een werknemer heeft diabetes en is na een gemiste maaltijd heel bleek geworden. {Hij} kijkt glazig en reageert anders dan normaal.office, industry7–18 u
werkdagen
0.66Bewerken
P009een collega: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een werknemer heeft diabetes en klaagt over enorme dorst en misselijkheid. {Hij} heeft de hele dag nauwelijks iets binnengehouden en wordt slaperig.office, industry7–18 u
werkdagen
0.66Bewerken
P009een collega: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een werknemer heeft diabetes en kreeg tijdens het praten een lege blik. {Hij} antwoordt heel traag en zegt dat de benen geen kracht meer hebben.office, industry7–18 u
werkdagen
0.66Bewerken
P009een collega: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een werknemer heeft volgens de meter een veel te lage suikerwaarde en blijft suf. Er is iemand bij {hem}, maar de toestand verbetert niet.office, industry7–18 u
werkdagen
0.66Bewerken
P009een collega: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een werknemer is diabeticus en reageert heel traag. {Hij} zweet en is verward.office, industry7–18 u
werkdagen
0.66Bewerken
P009een collega: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een werknemer zei dat de bloedsuiker erg hoog was en voelt zich steeds zieker. {Hij} braakt en ademt opvallend diep.office, industry7–18 u
werkdagen
0.66Bewerken
P009een redder: Met de redder van {naam} in {gemeente}. {Iemand} heeft na de inspanning een lage suikerwaarde en is heel zwak. {Hij} weet niet meer goed waar de eigen spullen liggen.swimming8–22 u0.27Bewerken
P009een redder: Met de redder van {naam} in {gemeente}. {Iemand} zegt diabetes te hebben en wordt steeds verwarder. {Hij} zweet enorm en kan niet meer stevig staan.swimming8–22 u0.27Bewerken
P009een thuisverpleegkundige: Met de thuisverpleging, ik ben op {adres}. Mijn patiënt van {leeftijdOud} jaar heeft diabetes en is sinds een infectie heel dorstig. De suikerwaarde is volgens de meting sterk verhoogd en {hij} wordt slaperig.home7–22 u0.53Bewerken
P009een thuisverpleegkundige: Met de thuisverpleging, ik ben op {adres}. Mijn patiënt van {leeftijdOud} jaar heeft diabetes en is sinds een uur opvallend stil. De huid voelt koud en klam en {hij} kan niet goed vertellen wat er aan de hand is.home7–22 u0.53Bewerken
P009een thuisverpleegkundige: Met de thuisverpleging, ik ben op {adres}. Mijn patiënt van {leeftijdOud} jaar heeft diabetes en wilde vandaag nauwelijks eten. Nu trillen de handen en geeft {hij} verwarde antwoorden.home7–22 u0.53Bewerken
P009een thuisverpleegkundige: Met de thuisverpleging, ik ben op {adres}. Mijn patiënt van {leeftijdOud} jaar heeft een lage waarde op de suikermeter en reageert traag. {Hij} kan niet goed meer slikken.home7–22 u0.53Bewerken
P009een thuisverpleegkundige: Met de thuisverpleging, ik ben op {adres}. Mijn patiënt van {leeftijdOud} jaar heeft sinds gisteren hoge suikerwaarden en is nu erg slap. {Hij} drinkt veel maar blijft een droge mond hebben.home7–22 u0.53Bewerken
P009een thuisverpleegkundige: Met de thuisverpleging, ik ben op {adres}. Mijn patiënt van {leeftijdOud} jaar heeft volgens de suikercontrole een veel te lage waarde. {Hij} is wakker, maar blijft ondanks eerdere hulp verward en slap.home7–22 u0.53Bewerken
P009een thuisverpleegkundige: Met de thuisverpleging, ik ben op {adres}. Mijn patiënt van {leeftijdOud} jaar herkent deze klachten als een te lage suiker, maar kan de meter niet meer zelf gebruiken. {Hij} beeft en krijgt de woorden moeilijk uit.home7–22 u0.53Bewerken
P009een thuisverpleegkundige: Met de thuisverpleging, ik ben op {adres}. Mijn patiënt van {leeftijdOud} jaar is na een overgeslagen maaltijd moeilijk wakker te houden. De glucosemeter geeft een heel lage waarde.home7–22 u0.53Bewerken
P009een thuisverpleegkundige: Met de thuisverpleging, ik ben op {adres}. Mijn patiënt van {leeftijdOud} jaar nam de gewone diabetesmedicatie, maar de maaltijd bleef bijna onaangeroerd. {Hij} is klam geworden en reageert niet zoals anders.home7–22 u0.53Bewerken
P009een trainer: Met de trainer, wij zijn bij {naam} in {gemeente}. Een jeugdspeler van {leeftijdKind} jaar heeft diabetes en de sensor blijft alarm geven. {Hij} is bleek, trilt en wil alleen nog liggen.sports9–23 u0.40Bewerken
P009een trainer: Met de trainer, wij zijn bij {naam} in {gemeente}. Een jeugdspeler van {leeftijdTiener} jaar heeft diabetes en trilt en zweet. {Hij} reageert veel trager dan gewoonlijk.sports9–23 u0.40Bewerken
P009een trainer: Met de trainer, wij zijn bij {naam} in {gemeente}. Een jeugdspeler van {leeftijdTiener} jaar heeft een insulinepomp en werd tijdens de activiteit steeds stiller. {Hij} trilt en de sensor blijft een lage waarde melden.sports9–23 u0.40Bewerken
P009een trainer: Met de trainer, wij zijn bij {naam} in {gemeente}. {Speler} heeft na de inspanning een lage suikerwaarde en is heel zwak. {Hij} weet niet meer goed waar de eigen spullen liggen.sports9–23 u0.40Bewerken
P009de uitbater: Met de uitbater van {naam} in {gemeente}. Een klant heeft diabetes en begon plots onsamenhangend te antwoorden. {Hij} zweet erg en de handen trillen terwijl {hij} probeert iets vast te nemen.horeca10–2 u0.66Bewerken
P009de uitbater: Met de uitbater van {naam} in {gemeente}. Een klant heeft diabetes en herkent de mensen om zich heen niet goed meer. De huid is klam en {hij} kan niet vertellen wanneer er voor het laatst gegeten is.horeca10–2 u0.66Bewerken
P009de uitbater: Met de uitbater van {naam} in {gemeente}. Een klant heeft een insulinepomp en werd plots zweterig en verward. {Hij} kan de pomp niet meer zelf bedienen en blijft alleen maar staren.horeca10–2 u0.66Bewerken
P009de uitbater: Met de uitbater van {naam} in {gemeente}. Een klant voelt zich na de gewone diabetesmedicatie niet goed en begint te beven. {Hij} heeft weinig gegeten en wordt moeilijker aanspreekbaar.horeca10–2 u0.66Bewerken
P009de uitbater: Met de uitbater van {naam} in {gemeente}. {IemandOud} heeft diabetes en is sinds een infectie heel dorstig. De suikerwaarde is volgens de meting sterk verhoogd en {hij} wordt slaperig.horeca10–2 u0.66Bewerken
P009de uitbater: Met de uitbater van {naam} in {gemeente}. {IemandOud} heeft diabetes en is sinds een uur opvallend stil. De huid voelt koud en klam en {hij} kan niet goed vertellen wat er aan de hand is.horeca10–2 u0.66Bewerken
P009de uitbater: Met de uitbater van {naam} in {gemeente}. {IemandOud} heeft diabetes en wilde vandaag nauwelijks eten. Nu trillen de handen en geeft {hij} verwarde antwoorden.horeca10–2 u0.66Bewerken
P009de uitbater: Met de uitbater van {naam} in {gemeente}. {IemandOud} heeft volgens de suikercontrole een veel te lage waarde. {Hij} is wakker, maar blijft ondanks eerdere hulp verward en slap.horeca10–2 u0.66Bewerken
P009de uitbater: Met de uitbater van {naam} in {gemeente}. {IemandOud} herkent deze klachten als een te lage suiker, maar kan de meter niet meer zelf gebruiken. {Hij} beeft en krijgt de woorden moeilijk uit.horeca10–2 u0.66Bewerken
P009de uitbater: Met de uitbater van {naam} in {gemeente}. {IemandOud} nam de gewone diabetesmedicatie, maar de maaltijd bleef bijna onaangeroerd. {Hij} is klam geworden en reageert niet zoals anders.horeca10–2 u0.66Bewerken
P009de uitbater: Met de uitbater van {naam} in {gemeente}. {Iemand} draagt een glucosesensor die alarm blijft geven en wordt suf. {Hij} zegt zelf dat de gemeten suiker veel te laag is.horeca10–2 u0.66Bewerken
P009de uitbater: Met de uitbater van {naam} in {gemeente}. {Iemand} gebruikt insuline en zegt dat de suiker aan het zakken is. {Hij} is nu zo slap dat een normaal gesprek niet meer lukt.horeca10–2 u0.66Bewerken
P009de uitbater: Met de uitbater van {naam} in {gemeente}. {Iemand} gedraagt zich alsof {hij} dronken is, maar heeft een insulinepen bij zich.horeca10–2 u0.66Bewerken
P009de uitbater: Met de uitbater van {naam} in {gemeente}. {Iemand} heeft diabetes en al een paar dagen een infectie. Vandaag is de suiker sterk verhoogd en {hij} is te zwak om nog zelf te vertrekken.horeca10–2 u0.66Bewerken
P009de uitbater: Met de uitbater van {naam} in {gemeente}. {Iemand} heeft diabetes en is na een gemiste maaltijd heel bleek geworden. {Hij} kijkt glazig en reageert anders dan normaal.horeca10–2 u0.66Bewerken
P009de uitbater: Met de uitbater van {naam} in {gemeente}. {Iemand} heeft diabetes en klaagt over enorme dorst en misselijkheid. {Hij} heeft de hele dag nauwelijks iets binnengehouden en wordt slaperig.horeca10–2 u0.66Bewerken
P009de uitbater: Met de uitbater van {naam} in {gemeente}. {Iemand} heeft diabetes en kreeg tijdens het praten een lege blik. {Hij} antwoordt heel traag en zegt dat de benen geen kracht meer hebben.horeca10–2 u0.66Bewerken
P009de uitbater: Met de uitbater van {naam} in {gemeente}. {Iemand} heeft volgens de meter een veel te lage suikerwaarde en blijft suf. Er is iemand bij {hem}, maar de toestand verbetert niet.horeca10–2 u0.66Bewerken
P009de uitbater: Met de uitbater van {naam} in {gemeente}. {Iemand} zei dat de bloedsuiker erg hoog was en voelt zich steeds zieker. {Hij} braakt en ademt opvallend diep.horeca10–2 u0.66Bewerken
P009een winkelmedewerker: Met een medewerker van {naam} in {gemeente}. Een klant gedraagt zich verward en zweet sterk. In zijn portefeuille zit een kaart waarop diabetes staat.supermarket, mall8–21 u1.33Bewerken
P009een winkelmedewerker: Met een medewerker van {naam} in {gemeente}. Een klant met diabetes is bij de ingang heel slap geworden. Zijn partner is erbij en heeft de suikermeter mee.supermarket, mall8–21 u1.33Bewerken
P009een winkelmedewerker: Met een medewerker van {naam} in {gemeente}. Een vrouw zei aan de kassa dat haar suiker te laag was. Ze zit nu op de grond en kan niet meer duidelijk antwoorden.supermarket, mall8–21 u1.33Bewerken
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een kind van {leeftijdKind} jaar heeft erg hoge suikerwaarden en braakt. {Hij} is suf en heeft een snelle ademhaling.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een oudere patiënt van mij heeft diabetes en is sinds een infectie heel dorstig. De suikerwaarde is volgens de meting sterk verhoogd en {hij} wordt slaperig.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een oudere patiënt van mij heeft diabetes en is sinds een uur opvallend stil. De huid voelt koud en klam en {hij} kan niet goed vertellen wat er aan de hand is.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
« VorigePagina 39 van 206Volgende »