112SimNoodcentralesimulator

Oproepsjablonen

Nieuw sjabloon

Wat de beller aan de telefoon zegt. Een sjabloon kiest een plaats van één van zijn locatiesoorten. Standaardsjablonen komen uit de seed en worden bij een sjablonenupdate opnieuw opgebouwd; wie er één aanpast, krijgt een eigen kopie die blijft staan. Uitschakelen van een standaardsjabloon geldt tot de volgende sjablonenupdate.

10293 sjablonen
TypeBeller en tekstLocatiesUrenGew.
P009een omstaander: Ik sta aan {naam} in {gemeente}. {Iemand} heeft diabetes en kreeg tijdens het praten een lege blik. {Hij} antwoordt heel traag en zegt dat de benen geen kracht meer hebben.square, park, station, bus_stop, mall, supermarket6–24 u0.89Bewerken
P009een omstaander: Ik sta aan {naam} in {gemeente}. {Iemand} heeft een insulinepomp en werd plots zweterig en verward. {Hij} kan de pomp niet meer zelf bedienen en blijft alleen maar staren.square, park, station, bus_stop, mall, supermarket6–24 u0.89Bewerken
P009een omstaander: Ik sta aan {naam} in {gemeente}. {Iemand} heeft volgens de meter een veel te lage suikerwaarde en blijft suf. Er is iemand bij {hem}, maar de toestand verbetert niet.square, park, station, bus_stop, mall, supermarket6–24 u0.89Bewerken
P009een omstaander: Ik sta aan {naam} in {gemeente}. {Iemand} is diabeticus en reageert heel traag. {Hij} zweet en is verward.square, park, station, bus_stop, mall, supermarket6–24 u0.89Bewerken
P009een omstaander: Ik sta aan {naam} in {gemeente}. {Iemand} voelt zich na de gewone diabetesmedicatie niet goed en begint te beven. {Hij} heeft weinig gegeten en wordt moeilijker aanspreekbaar.square, park, station, bus_stop, mall, supermarket6–24 u0.89Bewerken
P009een omstaander: Ik sta aan {naam} in {gemeente}. {Iemand} zegt diabetes te hebben en wordt steeds verwarder. {Hij} zweet enorm en kan niet meer stevig staan.square, park, station, bus_stop, mall, supermarket6–24 u0.89Bewerken
P009een omstaander: Ik sta aan {naam} in {gemeente}. {Iemand} zei dat de bloedsuiker erg hoog was en voelt zich steeds zieker. {Hij} braakt en ademt opvallend diep.square, park, station, bus_stop, mall, supermarket6–24 u0.89Bewerken
P009een omstaander: Ik sta aan {naam} in {gemeente}. {Iemand} zei nog dat de suiker te laag was en is nu erg verward. {Hij} is wakker, maar kan niet meer duidelijk uitleggen wat er is.square, park, station, bus_stop, mall, supermarket6–24 u0.89Bewerken
P009een redder: Ik werk als redder bij {naam} in {gemeente}. {Iemand} heeft na de inspanning een lage suikerwaarde en is heel zwak. {Hij} weet niet meer goed waar de eigen spullen liggen.swimming8–22 u0.27Bewerken
P009een redder: Ik werk als redder bij {naam} in {gemeente}. {Iemand} zegt diabetes te hebben en wordt steeds verwarder. {Hij} zweet enorm en kan niet meer stevig staan.swimming8–22 u0.27Bewerken
P009een huisgenoot: Ja, hallo, {adres} is het. Dat ding op zijn arm blijft piepen. Normaal weet hij perfect wat hij moet doen, maar nu kijkt hij mij gewoon aan.home0.66Bewerken
P009een huisgenoot: Ja, hallo, {adres} is het. Hij zegt dat zijn suiker verkeerd zit. Wacht, laag zegt hij. Hij zweet helemaal en ik versta hem steeds moeilijker.home0.66Bewerken
P009een huisgenoot: Ja, hallo, {adres} is het. Hij zei eerst dat zijn suiker hoog stond. Nu braakt hij en wil hij alleen maar slapen. Dat is niet zijn gewone doen.home0.66Bewerken
P009een huisgenoot: Ja, hallo, {adres} is het. Mama heeft haar spuit gehad, maar ze heeft bijna niet gegeten. Nu is ze bleek en trilt ze. Dit vertrouw ik niet.home0.66Bewerken
P009een huisgenoot: Ja, hallo, {adres} is het. Mijn vrouw heeft diabetes en doet nu heel vreemd. Ze zoekt iets wat voor haar neus ligt en antwoordt niet normaal.home0.66Bewerken
P009een huisgenoot: Kunt ge iemand sturen naar {adres}? Dat ding op zijn arm blijft piepen. Normaal weet hij perfect wat hij moet doen, maar nu kijkt hij mij gewoon aan.home0.66Bewerken
P009een huisgenoot: Kunt ge iemand sturen naar {adres}? Hij zegt dat zijn suiker verkeerd zit. Wacht, laag zegt hij. Hij zweet helemaal en ik versta hem steeds moeilijker.home0.66Bewerken
P009een huisgenoot: Kunt ge iemand sturen naar {adres}? Hij zei eerst dat zijn suiker hoog stond. Nu braakt hij en wil hij alleen maar slapen. Dat is niet zijn gewone doen.home0.66Bewerken
P009een huisgenoot: Kunt ge iemand sturen naar {adres}? Mama heeft haar spuit gehad, maar ze heeft bijna niet gegeten. Nu is ze bleek en trilt ze. Dit vertrouw ik niet.home0.66Bewerken
P009een huisgenoot: Kunt ge iemand sturen naar {adres}? Mijn vrouw heeft diabetes en doet nu heel vreemd. Ze zoekt iets wat voor haar neus ligt en antwoordt niet normaal.home0.66Bewerken
P009een schoolmedewerker: Met de directie van {naam} in {gemeente}. Een leerling van {leeftijdKind} jaar heeft diabetes en de sensor blijft alarm geven. {Hij} is bleek, trilt en wil alleen nog liggen.school8–16 u
werkdagen
0.53Bewerken
P009een schoolmedewerker: Met de directie van {naam} in {gemeente}. Een leerling van {leeftijdKind} jaar heeft diabetes en wil plots niet meer meedoen. {Hij} is klam, bleek en reageert nauwelijks op de leerkracht of ouders.school8–16 u
werkdagen
0.53Bewerken
P009een schoolmedewerker: Met de directie van {naam} in {gemeente}. Een leerling van {leeftijdTiener} jaar heeft diabetes en trilt en zweet. {Hij} reageert veel trager dan gewoonlijk.school8–16 u
werkdagen
0.53Bewerken
P009een schoolmedewerker: Met de directie van {naam} in {gemeente}. Een leerling van {leeftijdTiener} jaar heeft een insulinepomp en werd tijdens de activiteit steeds stiller. {Hij} trilt en de sensor blijft een lage waarde melden.school8–16 u
werkdagen
0.53Bewerken
P009een collega: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een collega heeft diabetes en begon plots onsamenhangend te antwoorden. {Hij} zweet erg en de handen trillen terwijl {hij} probeert iets vast te nemen.office, industry7–18 u
werkdagen
0.66Bewerken
P009een collega: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een collega heeft diabetes en heeft vandaag nauwelijks gegeten. {Hij} trilt, zweet en begrijpt mijn vragen niet goed.office, industry7–18 u
werkdagen
0.66Bewerken
P009een collega: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een collega heeft diabetes en herkent de mensen om zich heen niet goed meer. De huid is klam en {hij} kan niet vertellen wanneer er voor het laatst gegeten is.office, industry7–18 u
werkdagen
0.66Bewerken
P009een collega: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een collega heeft een insulinepomp en werd plots zweterig en verward. {Hij} kan de pomp niet meer zelf bedienen en blijft alleen maar staren.office, industry7–18 u
werkdagen
0.66Bewerken
P009een collega: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een collega voelt zich na de gewone diabetesmedicatie niet goed en begint te beven. {Hij} heeft weinig gegeten en wordt moeilijker aanspreekbaar.office, industry7–18 u
werkdagen
0.66Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een gast draagt een glucosesensor die alarm blijft geven en wordt suf. {Hij} zegt zelf dat de gemeten suiker veel te laag is.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een gast gebruikt insuline en zegt dat de suiker aan het zakken is. {Hij} is nu zo slap dat een normaal gesprek niet meer lukt.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een gast heeft diabetes en al een paar dagen een infectie. Vandaag is de suiker sterk verhoogd en {hij} is te zwak om nog zelf te vertrekken.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een gast heeft diabetes en begon plots onsamenhangend te antwoorden. {Hij} zweet erg en de handen trillen terwijl {hij} probeert iets vast te nemen.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een gast heeft diabetes en heeft vandaag nauwelijks gegeten. {Hij} trilt, zweet en begrijpt mijn vragen niet goed.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een gast heeft diabetes en herkent de mensen om zich heen niet goed meer. De huid is klam en {hij} kan niet vertellen wanneer er voor het laatst gegeten is.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een gast heeft diabetes en is na een gemiste maaltijd heel bleek geworden. {Hij} kijkt glazig en reageert anders dan normaal.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een gast heeft diabetes en klaagt over enorme dorst en misselijkheid. {Hij} heeft de hele dag nauwelijks iets binnengehouden en wordt slaperig.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een gast heeft diabetes en kreeg tijdens het praten een lege blik. {Hij} antwoordt heel traag en zegt dat de benen geen kracht meer hebben.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een gast heeft een insulinepomp en werd plots zweterig en verward. {Hij} kan de pomp niet meer zelf bedienen en blijft alleen maar staren.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een gast heeft volgens de meter een veel te lage suikerwaarde en blijft suf. Er is iemand bij {hem}, maar de toestand verbetert niet.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een gast voelt zich na de gewone diabetesmedicatie niet goed en begint te beven. {Hij} heeft weinig gegeten en wordt moeilijker aanspreekbaar.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een gast zei dat de bloedsuiker erg hoog was en voelt zich steeds zieker. {Hij} braakt en ademt opvallend diep.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een gast zei nog dat de suiker te laag was en is nu erg verward. {Hij} is wakker, maar kan niet meer duidelijk uitleggen wat er is.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een jonge gast van {leeftijdTiener} jaar heeft diabetes en hoge suikerwaarden. {Hij} heeft veel dorst en moet sinds vanochtend braken.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een oudere gast heeft diabetes en is sinds een infectie heel dorstig. De suikerwaarde is volgens de meting sterk verhoogd en {hij} wordt slaperig.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een oudere gast heeft diabetes en is sinds een uur opvallend stil. De huid voelt koud en klam en {hij} kan niet goed vertellen wat er aan de hand is.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een oudere gast heeft diabetes en wilde vandaag nauwelijks eten. Nu trillen de handen en geeft {hij} verwarde antwoorden.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een oudere gast heeft volgens de suikercontrole een veel te lage waarde. {Hij} is wakker, maar blijft ondanks eerdere hulp verward en slap.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een oudere gast herkent deze klachten als een te lage suiker, maar kan de meter niet meer zelf gebruiken. {Hij} beeft en krijgt de woorden moeilijk uit.hotel0.53Bewerken
P009de receptie: Met de receptie van {naam} in {gemeente}. Een oudere gast nam de gewone diabetesmedicatie, maar de maaltijd bleef bijna onaangeroerd. {Hij} is klam geworden en reageert niet zoals anders.hotel0.53Bewerken
« VorigePagina 38 van 206Volgende »