112SimNoodcentralesimulator

Oproepsjablonen

Nieuw sjabloon

Wat de beller aan de telefoon zegt. Een sjabloon kiest een plaats van één van zijn locatiesoorten. Standaardsjablonen komen uit de seed en worden bij een sjablonenupdate opnieuw opgebouwd; wie er één aanpast, krijgt een eigen kopie die blijft staan. Uitschakelen van een standaardsjabloon geldt tot de volgende sjablonenupdate.

10293 sjablonen
TypeBeller en tekstLocatiesUrenGew.
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een oudere patiënt van mij heeft diabetes en wilde vandaag nauwelijks eten. Nu trillen de handen en geeft {hij} verwarde antwoorden.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een oudere patiënt van mij heeft volgens de suikercontrole een veel te lage waarde. {Hij} is wakker, maar blijft ondanks eerdere hulp verward en slap.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een oudere patiënt van mij herkent deze klachten als een te lage suiker, maar kan de meter niet meer zelf gebruiken. {Hij} beeft en krijgt de woorden moeilijk uit.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een oudere patiënt van mij nam de gewone diabetesmedicatie, maar de maaltijd bleef bijna onaangeroerd. {Hij} is klam geworden en reageert niet zoals anders.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een patiënt van mij draagt een glucosesensor die alarm blijft geven en wordt suf. {Hij} zegt zelf dat de gemeten suiker veel te laag is.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een patiënt van mij gebruikt insuline en zegt dat de suiker aan het zakken is. {Hij} is nu zo slap dat een normaal gesprek niet meer lukt.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een patiënt van mij heeft diabetes en al een paar dagen een infectie. Vandaag is de suiker sterk verhoogd en {hij} is te zwak om nog zelf te vertrekken.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een patiënt van mij heeft diabetes en begon plots onsamenhangend te antwoorden. {Hij} zweet erg en de handen trillen terwijl {hij} probeert iets vast te nemen.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een patiënt van mij heeft diabetes en herkent de mensen om zich heen niet goed meer. De huid is klam en {hij} kan niet vertellen wanneer er voor het laatst gegeten is.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een patiënt van mij heeft diabetes en is na een gemiste maaltijd heel bleek geworden. {Hij} kijkt glazig en reageert anders dan normaal.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een patiënt van mij heeft diabetes en klaagt over enorme dorst en misselijkheid. {Hij} heeft de hele dag nauwelijks iets binnengehouden en wordt slaperig.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een patiënt van mij heeft diabetes en kreeg tijdens het praten een lege blik. {Hij} antwoordt heel traag en zegt dat de benen geen kracht meer hebben.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een patiënt van mij heeft diabetes, enorme dorst en moet braken. De suikermeter geeft een heel hoge waarde aan.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een patiënt van mij heeft een insulinepomp en werd plots zweterig en verward. {Hij} kan de pomp niet meer zelf bedienen en blijft alleen maar staren.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een patiënt van mij heeft volgens de meter een veel te lage suikerwaarde en blijft suf. Er is iemand bij {hem}, maar de toestand verbetert niet.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een patiënt van mij voelt zich na de gewone diabetesmedicatie niet goed en begint te beven. {Hij} heeft weinig gegeten en wordt moeilijker aanspreekbaar.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
P009de huisarts: Met {naam} in {gemeente}, de huisarts hier. Een patiënt van mij zei dat de bloedsuiker erg hoog was en voelt zich steeds zieker. {Hij} braakt en ademt opvallend diep.doctor8–19 u
werkdagen
0.40Bewerken
P009een verpleegkundige: Met {naam} in {gemeente}, de verpleging hier. {Bewoner} heeft de laatste dagen hoge suikerwaarden en slaapt nu bijna de hele tijd. {Hij} heeft een droge mond en drinkt voortdurend.nursing_home0.80Bewerken
P009een verpleegkundige: Met {naam} in {gemeente}, de verpleging hier. {Bewoner} heeft diabetes en is sinds een infectie heel dorstig. De suikerwaarde is volgens de meting sterk verhoogd en {hij} wordt slaperig.nursing_home0.80Bewerken
P009een verpleegkundige: Met {naam} in {gemeente}, de verpleging hier. {Bewoner} heeft diabetes en is sinds een uur opvallend stil. De huid voelt koud en klam en {hij} kan niet goed vertellen wat er aan de hand is.nursing_home0.80Bewerken
P009een verpleegkundige: Met {naam} in {gemeente}, de verpleging hier. {Bewoner} heeft diabetes en wilde vandaag nauwelijks eten. Nu trillen de handen en geeft {hij} verwarde antwoorden.nursing_home0.80Bewerken
P009een verpleegkundige: Met {naam} in {gemeente}, de verpleging hier. {Bewoner} heeft een lage waarde op de suikermeter en reageert traag. {Hij} kan niet goed meer slikken.nursing_home0.80Bewerken
P009een verpleegkundige: Met {naam} in {gemeente}, de verpleging hier. {Bewoner} heeft een suiker van 35 en is heel suf.nursing_home0.80Bewerken
P009een verpleegkundige: Met {naam} in {gemeente}, de verpleging hier. {Bewoner} heeft nauwelijks ontbeten en is nu suf en zweterig. De suikermeter geeft een erg lage waarde.nursing_home0.80Bewerken
P009een verpleegkundige: Met {naam} in {gemeente}, de verpleging hier. {Bewoner} heeft volgens de suikercontrole een veel te lage waarde. {Hij} is wakker, maar blijft ondanks eerdere hulp verward en slap.nursing_home0.80Bewerken
P009een verpleegkundige: Met {naam} in {gemeente}, de verpleging hier. {Bewoner} herkent deze klachten als een te lage suiker, maar kan de meter niet meer zelf gebruiken. {Hij} beeft en krijgt de woorden moeilijk uit.nursing_home0.80Bewerken
P009een verpleegkundige: Met {naam} in {gemeente}, de verpleging hier. {Bewoner} is na een overgeslagen maaltijd moeilijk wakker te houden. De glucosemeter geeft een heel lage waarde.nursing_home0.80Bewerken
P009een verpleegkundige: Met {naam} in {gemeente}, de verpleging hier. {Bewoner} nam de gewone diabetesmedicatie, maar de maaltijd bleef bijna onaangeroerd. {Hij} is klam geworden en reageert niet zoals anders.nursing_home0.80Bewerken
P009de patiënt: Mijn adres is {adres}, ik bel voor mezelf. Ik heb diabetes en mijn suiker is heel laag. Ik tril zo erg dat ik mijn spullen bijna niet kan vastpakken.home0.66Bewerken
P009de patiënt: Mijn adres is {adres}, ik bel voor mezelf. Ik heb vandaag weinig gegeten en voel me steeds slapper. Mijn diabetessensor geeft alarm en ik ben alleen.home0.66Bewerken
P009de patiënt: Mijn adres is {adres}, ik bel voor mezelf. Mijn suikermeter geeft een heel hoge waarde aan. Ik heb enorme dorst en moet nu ook braken.home0.66Bewerken
P009een familielid: Mijn adres is {adres}. Ons kind van {leeftijdTiener} jaar heeft diabetes en hoge suikerwaarden. {Hij} heeft veel dorst en moet sinds vanochtend braken.home1.99Bewerken
P009een familielid: Mijn adres is {adres}. Ons kind van {leeftijdTiener} jaar heeft diabetes en trilt en zweet. {Hij} reageert veel trager dan gewoonlijk.home1.99Bewerken
P009een familielid: Mijn adres is {adres}. {Kind} van {leeftijdKind} jaar heeft diabetes en de sensor blijft alarm geven. {Hij} is bleek, trilt en wil alleen nog liggen.home1.99Bewerken
P009een familielid: Mijn adres is {adres}. {Kind} van {leeftijdKind} jaar heeft diabetes en wil plots niet meer meedoen. {Hij} is klam, bleek en reageert nauwelijks op de leerkracht of ouders.home1.99Bewerken
P009een familielid: Mijn adres is {adres}. {PersoonOud} heeft de laatste dagen hoge suikerwaarden en slaapt nu bijna de hele tijd. {Hij} heeft een droge mond en drinkt voortdurend.home1.99Bewerken
P009een familielid: Mijn adres is {adres}. {PersoonOud} heeft diabetes en is sinds een infectie heel dorstig. De suikerwaarde is volgens de meting sterk verhoogd en {hij} wordt slaperig.home1.99Bewerken
P009een familielid: Mijn adres is {adres}. {PersoonOud} heeft diabetes en is sinds een uur opvallend stil. De huid voelt koud en klam en {hij} kan niet goed vertellen wat er aan de hand is.home1.99Bewerken
P009een familielid: Mijn adres is {adres}. {PersoonOud} heeft diabetes en wilde vandaag nauwelijks eten. Nu trillen de handen en geeft {hij} verwarde antwoorden.home1.99Bewerken
P009een familielid: Mijn adres is {adres}. {PersoonOud} heeft een suiker van 35 en is heel suf.home1.99Bewerken
P009een familielid: Mijn adres is {adres}. {PersoonOud} heeft een te lage suiker, {hij} is heel agressief en verward.home1.99Bewerken
P009een familielid: Mijn adres is {adres}. {PersoonOud} heeft sinds gisteren hoge suikerwaarden en is nu erg slap. {Hij} drinkt veel maar blijft een droge mond hebben.home1.99Bewerken
P009een familielid: Mijn adres is {adres}. {PersoonOud} heeft volgens de suikercontrole een veel te lage waarde. {Hij} is wakker, maar blijft ondanks eerdere hulp verward en slap.home1.99Bewerken
P009een familielid: Mijn adres is {adres}. {PersoonOud} herkent deze klachten als een te lage suiker, maar kan de meter niet meer zelf gebruiken. {Hij} beeft en krijgt de woorden moeilijk uit.home1.99Bewerken
P009een familielid: Mijn adres is {adres}. {PersoonOud} nam de gewone diabetesmedicatie, maar de maaltijd bleef bijna onaangeroerd. {Hij} is klam geworden en reageert niet zoals anders.home1.99Bewerken
P009een familielid: Mijn adres is {adres}. {Persoon} draagt een glucosesensor die alarm blijft geven en wordt suf. {Hij} zegt zelf dat de gemeten suiker veel te laag is.home1.99Bewerken
P009een familielid: Mijn adres is {adres}. {Persoon} gebruikt insuline en zegt dat de suiker aan het zakken is. {Hij} is nu zo slap dat een normaal gesprek niet meer lukt.home1.99Bewerken
P009een familielid: Mijn adres is {adres}. {Persoon} heeft diabetes en al een paar dagen een infectie. Vandaag is de suiker sterk verhoogd en {hij} is te zwak om nog zelf te vertrekken.home1.99Bewerken
P009een familielid: Mijn adres is {adres}. {Persoon} heeft diabetes en begon plots onsamenhangend te antwoorden. {Hij} zweet erg en de handen trillen terwijl {hij} probeert iets vast te nemen.home1.99Bewerken
P009een familielid: Mijn adres is {adres}. {Persoon} heeft diabetes en blijft sinds vannacht braken. De gemeten suiker is erg hoog en {hij} ademt sneller dan anders.home1.99Bewerken
« VorigePagina 40 van 206Volgende »