112SimNoodcentralesimulator

Oproepsjablonen

Nieuw sjabloon

Wat de beller aan de telefoon zegt. Een sjabloon kiest een plaats van één van zijn locatiesoorten. Standaardsjablonen komen uit de seed en worden bij een sjablonenupdate opnieuw opgebouwd; wie er één aanpast, krijgt een eigen kopie die blijft staan. Uitschakelen van een standaardsjabloon geldt tot de volgende sjablonenupdate.

10293 sjablonen
TypeBeller en tekstLocatiesUrenGew.
P009een Engelstalige omstaander: Hello? There's an emergency at {naam}, {gemeente}. This man told us he needs help with his blood sugar. Now he's just staring at us. He's very sweaty.station, square, mall, park, supermarket6–24 u0.66Bewerken
P009een Engelstalige omstaander: I'm at {naam} in {gemeente}. Please, I only speak English. My dad has diabetes. He hasn't been able to keep food down and he's becoming very sleepy.station, square, mall, park, supermarket6–24 u0.66Bewerken
P009een Engelstalige omstaander: I'm at {naam} in {gemeente}. Please, I only speak English. My friend has diabetes and says his sugar is low. He's sweating and now he isn't answering me properly.station, square, mall, park, supermarket6–24 u0.66Bewerken
P009een Engelstalige omstaander: I'm at {naam} in {gemeente}. Please, I only speak English. She's wearing a diabetes sensor and it's alarming. She can't explain what it says. She's getting really confused.station, square, mall, park, supermarket6–24 u0.66Bewerken
P009een Engelstalige omstaander: I'm at {naam} in {gemeente}. Please, I only speak English. This man told us he needs help with his blood sugar. Now he's just staring at us. He's very sweaty.station, square, mall, park, supermarket6–24 u0.66Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. Ons kind van {leeftijdTiener} jaar heeft diabetes en hoge suikerwaarden. {Hij} heeft veel dorst en moet sinds vanochtend braken.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. Ons kind van {leeftijdTiener} jaar heeft diabetes en trilt en zweet. {Hij} reageert veel trager dan gewoonlijk.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {Kind} van {leeftijdKind} jaar heeft diabetes en de sensor blijft alarm geven. {Hij} is bleek, trilt en wil alleen nog liggen.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {Kind} van {leeftijdKind} jaar heeft diabetes en wil plots niet meer meedoen. {Hij} is klam, bleek en reageert nauwelijks op de leerkracht of ouders.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {PersoonOud} heeft de laatste dagen hoge suikerwaarden en slaapt nu bijna de hele tijd. {Hij} heeft een droge mond en drinkt voortdurend.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {PersoonOud} heeft diabetes en is sinds een infectie heel dorstig. De suikerwaarde is volgens de meting sterk verhoogd en {hij} wordt slaperig.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {PersoonOud} heeft diabetes en is sinds een uur opvallend stil. De huid voelt koud en klam en {hij} kan niet goed vertellen wat er aan de hand is.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {PersoonOud} heeft diabetes en wilde vandaag nauwelijks eten. Nu trillen de handen en geeft {hij} verwarde antwoorden.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {PersoonOud} heeft een suiker van 35 en is heel suf.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {PersoonOud} heeft een te lage suiker, {hij} is heel agressief en verward.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {PersoonOud} heeft sinds gisteren hoge suikerwaarden en is nu erg slap. {Hij} drinkt veel maar blijft een droge mond hebben.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {PersoonOud} heeft volgens de suikercontrole een veel te lage waarde. {Hij} is wakker, maar blijft ondanks eerdere hulp verward en slap.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {PersoonOud} herkent deze klachten als een te lage suiker, maar kan de meter niet meer zelf gebruiken. {Hij} beeft en krijgt de woorden moeilijk uit.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {PersoonOud} nam de gewone diabetesmedicatie, maar de maaltijd bleef bijna onaangeroerd. {Hij} is klam geworden en reageert niet zoals anders.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {Persoon} draagt een glucosesensor die alarm blijft geven en wordt suf. {Hij} zegt zelf dat de gemeten suiker veel te laag is.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {Persoon} gebruikt insuline en zegt dat de suiker aan het zakken is. {Hij} is nu zo slap dat een normaal gesprek niet meer lukt.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {Persoon} heeft diabetes en al een paar dagen een infectie. Vandaag is de suiker sterk verhoogd en {hij} is te zwak om nog zelf te vertrekken.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {Persoon} heeft diabetes en begon plots onsamenhangend te antwoorden. {Hij} zweet erg en de handen trillen terwijl {hij} probeert iets vast te nemen.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {Persoon} heeft diabetes en blijft sinds vannacht braken. De gemeten suiker is erg hoog en {hij} ademt sneller dan anders.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {Persoon} heeft diabetes en gedraagt zich plots heel anders. {Hij} praat traag, zweet en weet niet meer wanneer {hij} heeft gegeten.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {Persoon} heeft diabetes en heeft vandaag nauwelijks gegeten. {Hij} trilt, zweet en begrijpt mijn vragen niet goed.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {Persoon} heeft diabetes en herkent de mensen om zich heen niet goed meer. De huid is klam en {hij} kan niet vertellen wanneer er voor het laatst gegeten is.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {Persoon} heeft diabetes en is na een gemiste maaltijd heel bleek geworden. {Hij} kijkt glazig en reageert anders dan normaal.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {Persoon} heeft diabetes en klaagt over enorme dorst en misselijkheid. {Hij} heeft de hele dag nauwelijks iets binnengehouden en wordt slaperig.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {Persoon} heeft diabetes en kreeg tijdens het praten een lege blik. {Hij} antwoordt heel traag en zegt dat de benen geen kracht meer hebben.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {Persoon} heeft diabetes, enorme dorst en moet braken. De suikermeter geeft een heel hoge waarde aan.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {Persoon} heeft een insulinepomp en werd plots zweterig en verward. {Hij} kan de pomp niet meer zelf bedienen en blijft alleen maar staren.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {Persoon} heeft volgens de meter een veel te lage suikerwaarde en blijft suf. Er is iemand bij {hem}, maar de toestand verbetert niet.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {Persoon} is diabeticus en reageert heel traag. {Hij} zweet en is verward.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {Persoon} voelt zich na de gewone diabetesmedicatie niet goed en begint te beven. {Hij} heeft weinig gegeten en wordt moeilijker aanspreekbaar.home1.99Bewerken
P009een familielid: Ik bel uit {waar}. {Persoon} zei dat de bloedsuiker erg hoog was en voelt zich steeds zieker. {Hij} braakt en ademt opvallend diep.home1.99Bewerken
P009een collega van de nachtploeg: Ik bel van de nachtploeg van {naam} in {gemeente}. Een collega heeft diabetes en gedraagt zich plots heel anders. {Hij} praat traag, zweet en weet niet meer wanneer {hij} heeft gegeten.industry22–6 u0.23Bewerken
P009een collega van de nachtploeg: Ik bel van de nachtploeg van {naam} in {gemeente}. Een collega heeft diabetes en is plots verward en zweterig. {Hij} weet niet meer waar {hij} mee bezig was.industry22–6 u0.23Bewerken
P009een redder: Ik bel van de reddingspost bij {naam} in {gemeente}. Een kind met diabetes is heel bleek en suf bij ons gebracht. De sensor geeft een lage waarde aan.beach9–21 u1.33Bewerken
P009een redder: Ik bel van de reddingspost bij {naam} in {gemeente}. Een man met diabetes is verward en trilt. Zijn familie zegt dat hij vandaag nog niet gegeten heeft.beach9–21 u1.33Bewerken
P009een redder: Ik bel van de reddingspost bij {naam} in {gemeente}. Een oudere strandganger is erg slap en heeft veel dorst. Hij heeft diabetes en de suikermeter geeft een hoge waarde.beach9–21 u1.33Bewerken
P009de koster: Ik bel van de {naam} in {gemeente}. {IemandOud} heeft diabetes en is sinds een infectie heel dorstig. De suikerwaarde is volgens de meting sterk verhoogd en {hij} wordt slaperig.church8–20 u0.33Bewerken
P009de koster: Ik bel van de {naam} in {gemeente}. {IemandOud} heeft diabetes en is sinds een uur opvallend stil. De huid voelt koud en klam en {hij} kan niet goed vertellen wat er aan de hand is.church8–20 u0.33Bewerken
P009de koster: Ik bel van de {naam} in {gemeente}. {IemandOud} heeft diabetes en wilde vandaag nauwelijks eten. Nu trillen de handen en geeft {hij} verwarde antwoorden.church8–20 u0.33Bewerken
P009de koster: Ik bel van de {naam} in {gemeente}. {IemandOud} heeft volgens de suikercontrole een veel te lage waarde. {Hij} is wakker, maar blijft ondanks eerdere hulp verward en slap.church8–20 u0.33Bewerken
P009de koster: Ik bel van de {naam} in {gemeente}. {IemandOud} herkent deze klachten als een te lage suiker, maar kan de meter niet meer zelf gebruiken. {Hij} beeft en krijgt de woorden moeilijk uit.church8–20 u0.33Bewerken
P009de koster: Ik bel van de {naam} in {gemeente}. {IemandOud} nam de gewone diabetesmedicatie, maar de maaltijd bleef bijna onaangeroerd. {Hij} is klam geworden en reageert niet zoals anders.church8–20 u0.33Bewerken
P009de koster: Ik bel van de {naam} in {gemeente}. {Iemand} draagt een glucosesensor die alarm blijft geven en wordt suf. {Hij} zegt zelf dat de gemeten suiker veel te laag is.church8–20 u0.33Bewerken
P009de koster: Ik bel van de {naam} in {gemeente}. {Iemand} gebruikt insuline en zegt dat de suiker aan het zakken is. {Hij} is nu zo slap dat een normaal gesprek niet meer lukt.church8–20 u0.33Bewerken
P009de koster: Ik bel van de {naam} in {gemeente}. {Iemand} heeft diabetes en al een paar dagen een infectie. Vandaag is de suiker sterk verhoogd en {hij} is te zwak om nog zelf te vertrekken.church8–20 u0.33Bewerken
« VorigePagina 34 van 206Volgende »